Vermoeden kindermishandeling
Protocol voor het Gastouderbureau
Dit landelijke voorbeeldprotocol is tot stand gekomen in samenwerking met de MOgroep en met de Branchevereniging voor Ondernemers in de Kinderopvang. Dit protocol gaat in op de aanpak van kindermishandeling en is afgeleid van het Protocol 'Vermoeden kindermishandeling' vanJSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding, Preventie Kindermishandeling Haaglanden.
Colofon
Eindredactie Patricia Ohlsen, JSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding, Preventie Kindermishandeling Haaglanden, mei 2005
Definitie van kindermishandeling
Kindermishandeling is elke vorm van, voor de minderjarige, bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. (Wet op de jeugdzorg, 2005)
Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.
Vormen van kindermishandeling:
Lichamelijk mishandeling
Er is sprake van lichamelijke mishandeling wanneer de ouders het kind verwonden.
Voorbeelden: de ouder slaat en schopt het kind, de ouder brandt het kind met een sigaret.
Lichamelijke verwaarlozing
De opvoeder is niet in staat of bereid tot het verschaffen van minimale zorg t.a.v. de lichamelijke behoeften van een kind op één of meerdere gebieden: voeding, kleding, onderdak, bezoek aan arts en tandarts, hygiëne.
Voorbeelden: de ouder zorgt niet voor eten voor de kinderen, het kind is vuil en heeft (langdurig en regelmatig) luizen, de ouder zorgt niet voor een geschikte slaapplaats voor het kind. Het kind komt altijd met vieze luiers en heeft ernstige luieruitslag.
Fysieke verwaarlozing/ onvoldoende fysiek toezicht
De ouders nemen geen geschikte maatregelen om de veiligheid van het kind binnen- en buitenshuis te verzekeren, afgestemd op de ontwikkelingsfase van het kind.
Voorbeelden: een kind van 8 jaar wordt 's nachts vele uren alleen gelaten, de ouder laat het kind spelen op een zeer gevaarlijke plaats, de ouder laat het kind meegaan met iemand van wie bekend is dat hij andere kinderen heeft misbruikt.
Emotionele mishandeling
Vrijwel alle vormen van kindermishandeling brengen negatieve emotionele/psychologische boodschappen over naar het kind. De meeste gevallen die in deze categorie horen worden gekenmerkt door: aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind.
Voorbeelden: de ouder kleineert het kind vaak, er is sprake van partnergeweld, de ouder geeft het kind de schuld van relatieproblemen, de ouder staat geen vriendschap tussen leeftijdsgenootjes toe.
Kinderen die opgroeien in een gewelddadig gezin, voelen de spanning, horen de kreten, zien de verwondingen, willen tussenbeide springen en kunnen daardoor ernstige psychische schade oplopen. Die kinderen leven in constante angst.
Normatieve en educatieve mishandeling (morele corrumptering en schoolverzuim)
De verzorger vertoont gedrag waaruit blijkt dat hij/zij niet in staat is of bereid is, tot minimale zorg omtrent de socialisering van het kind, met inbegrip van de zorg voor geschikt onderwijs. De verzorger stelt het kind bloot aan of betrekt het kind in illegale praktijken; ziet niet toe dat het kind regelmatig naar school gaat.
Voorbeelden: de verzorger houdt het kind vaak thuis, om op jongere kinderen te passen; de verzorger is ervan op de hoogte dat het kind zich inlaat met illegale praktijken maar grijpt niet in; de verzorger verkoopt drugs in het bijzijn van het kind; het kind wordt ingeschakeld bij de verkoop van drugs.
Seksueel misbruik
De verzorger heeft seksueel contact met het kind, probeert dit te hebben of laat het kind kijken naar, ter bevrediging van de seksuele gevoelens van de betrokken verzorger en/of uit geldelijk gewin.
Voorbeelden: de verzorger laat het kind pornografisch materiaal zien, de verzorger betrekt het kind in wederzijdse masturbatie, de verzorger verkracht het kind.
Verdeling verantwoordelijkheden
Bij gebruik van dit protocol moet duidelijk zijn wie binnen de instelling waarvoor verantwoordelijk is.
Verantwoordelijkheden leidinggevende:
· Opnemen van het protocol kindermishandeling in het kwaliteitsbeleid van de instelling.
· Kennis hebben van de handelwijze volgens het protocol.
· Overleggen met en steunen van de bemiddelingsmedewerker in het handelen volgens het protocol.
· Zorg dragen voor voldoende deskundigheid bij medewerkers over signaleren en omgaan met (vermoedens van) kindermishandeling.
· Eindverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van het protocol.
Verantwoordelijkheden van de bemiddelingsmedewerker:
· Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
· Overleg plegen met de gastouder die de zorg heeft over een kind.
· Indien nodig overleggen met andere beroepskrachten.
· Kennis hebben van de handelwijze volgens het protocol.
· Informeren van gast-, vraagouders over dit beleid.
· Vaststellen van taken van een ieder (wie doet wat wanneer).
· Zonodig contact op nemen met het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) voor advies of melding.
· Waken over de veiligheid van het kind bij het nemen van beslissingen.
· Toezien op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin.
· Verslaglegging.
· Afsluiten van het protocol.
· Evalueren van de genomen stappen.
· Bijhouden van de sociale kaart.
Verantwoordelijkheden van de gastouder:
· Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
· Overleg plegen met de bemiddelingsmedewerker bij zorg over een kind aan de hand van waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
· Uitvoeren van afspraken die zijn voortgekomen uit het overleg met de bemiddelingsmede-werker, zoals observeren of een gesprek met de ouders.
· Bespreken van de resultaten van deze ondernomen stappen met de bemiddelingsmede-werker.
De directie, de bemiddelingsmedewerker en de gastouders zijn niet verantwoordelijk voor:
· Vaststellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling.
· Verlenen van professionele hulp aan ouders of kinderen (begeleiding, therapie).
Stappenschema 1:
De vraagouder heeft een vermoeden dat het kind in het gastgezin wordt mishandeld
Fase 1: De vraagouder heeft een vermoeden
· De vraagouder legt de waarnemingen (eventueel) aan de gastouder voor.
· De vraagouder neemt contact op met de bemiddelingsmedewerker.
Verantwoordelijkheid bij de vraagouder.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden
· De bemiddelingsmedewerker overlegt met de leidinggevende.
Verantwoordelijkheid: bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak
· De bemiddelingsmedewerker wint advies in bij het AMK.
· De bemiddelingsmedewerker bespreekt met de gastouder zijn zorgen, eventueel samen met de vraagouder.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 4: De beslissing
· De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd. De vermoedens bestaan niet meer. Bespreek dit met de vraagouders. Sluit de zaak af. Ga naar fase 6.
· Na overleg blijft er twijfel bestaan. Ga naar fase 5.
· Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond. Ga naar fase 5.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 5: Handelen
· De bemiddelingsmedewerker deelt aan de gastouder mee dat het kind niet meer komt en bespreekt de reden van het vertrek van het betreffende kind. Het kind wordt, indien mogelijk, in een ander gezin geplaatst.
· De bemiddelingsmedewerker neemt contact op met de andere vraagouders uit het gastgezin.
· De gastouder wordt uitgeschreven bij het GOB.
· De bemiddelingsmedewerker meldt bij het AMK wanneer de gastouder ook eigen kinderen heeft.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 6: Evaluatie
· Evalueer het proces en de procedures zoals het gegaan is.
· Stel zonodig afspraken bij.
· Registreer.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 7: Nazorg
· Blijf alert op het welzijn van het kind/ de kinderen.
· Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken vraagouders en de gastouders.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Wanneer de vraagouder vermoedt dat de eigen kinderen van de gastouder worden mishandeld, handel dan ook volgens het protocol.
Bij alle stappen die genomen worden dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Toelichting
Fase 1: De vraagouder heeft een vermoeden.
De vraagouder neemt contact op met de bemiddelingsmedewerker.
Kinderen die mishandeld worden, kunnen veel verschillende signalen laten zien. Deze signalen kunnen wijzen op kindermishandeling, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben zoals een scheiding, geboorte van een broertje of zusje of een sterfgeval.
Bij signaleren gaat het in de eerste plaats om de zorg die de vraagouder heeft over zijn kind, waarvoor geen geruststellende verklaring gevonden wordt. Kindermishandeling is één van de mogelijke oorzaken.
Bespreek met de vraagouders de zorgen die zij hebben over hun kind(eren).
Als er signalen zijn die kunnen wijzen op kindermishandeling probeert u met gebruik van de signalenlijst (bijlage 2) en het observatieformulier (bijlage 3) de zorgen rond een kind duidelijker te krijgen.
Het is belangrijk dat bij het verhelderen van de vermoedens een onderscheid gemaakt wordt tussen objectieve gegevens en subjectieve gegevens. Onder objectieve gegevens wordt verstaan datgene wat u daadwerkelijk kunt zien, zoals een blauwe plek op een arm. Onder subjectieve gegevens wordt verstaan hoe u de gegevens interpreteert. Bijvoorbeeld het kind is geslagen.
Op het observatieformulier worden de objectieve gegevens vermeld. Het observatieformulier gaat het dossier in. Wanneer u behoefte heeft ook de subjectieve gegevens te noteren, doe dat dan in anonieme werkaantekeningen. Werkaantekeningen gaan het dossier niet in en zijn niet ter inzage van ouders. Ga zorgvuldig met werkaantekeningen om.
Let op: het is niet de taak van de vraagouder of de bemiddelingsmedewerker om speurwerk naar een dader te doen. Het is wel hun taak te komen tot een mogelijke onderbouwing van de zorgen die er zijn en de veiligheid van het kind te waarborgen.
Van belang is dat de vraagouders zich serieus genomen voelen in hun zorgen om hun kind.
Ondanks de zorgvuldigheid van het GOB kunnen de ouders vanuit hun zorgen om hun kind een ander traject kiezen, b.v. aangifte doen bij de politie.
Wanneer ouders zich niet serieus genomen voelen kunnen zij een klacht indienen.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden.
Dit overleg dient als middel om het vermoeden te toetsen bij anderen, ter voorkoming van overhaast genomen emotionele beslissingen, maar ook om ruimte te geven aan eventuele emoties.
De bemiddelingsmedewerker overlegt met haar leidinggevende.
De bemiddelingsmedewerker bespreekt de objectieve en subjectieve gegevens die zij heeft gekregen van de vraagouder. Ze bespreekt of er redenen zijn waarom ze zich zorgen moet maken en of er redenen zijn om te denken aan kindermishandeling. Bij interpretatie van de informatie kan de signalenlijst een hulpmiddel zijn (zie bijlage 2).
De bemiddelingsmedewerker maakt samen met de leidinggevende een plan van aanpak om meer gegevens te verkrijgen.
Fase 3: Uitvoeren van het plan van aanpak.
De bemiddelingsmedewerkeroverlegt met het AMK.
Overleg met het AMK is in alle gevallen aan te raden. Het AMK biedt ondersteuning bij het interpreteren van signalen en bij het nadenken over de vervolgstappen die noodzakelijk zijn (zie bijlage 1 over de werkwijze van het AMK).
De bemiddelingsmedewerker spreekt, zonodig samen met de leidinggevende, met de gastouder. In dit gesprek worden de zorgen die zijn geuit door de vraagouder aan de hand van de objectieve en subjectieve gegevens besproken met de gastouder. Probeer in het gesprek een duidelijker beeld te vormen van de pedagogische kwaliteiten van de ouder en zoek naar onderbouwing van de zorgen (zie bijlage 4,6).
Fase 4: De beslissing.
De verdere aanpak is afhankelijk van de gegevens die uit fase 2 zijn gekomen.
Er zijn drie scenario’s mogelijk.
1. De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd en de vermoedens bestaan ook niet meer.
· Bespreek dit met de vraagouders en de gastouders.
· De vraagouders kunnen vanuit de zorg voor hun kind een ander traject kiezen dan het GOB voorstelt aan de ouders en wat zij als organisatie doet.
· Indien er geen vertrouwen meer is en de vraagouders het kind weg willen halen bij de gastouder kan het GOB ter ondersteuning van de gastouders en/of vraagouders het kind in een ander gastgezin plaatsen.
· Sluit de zaak af en vernietig alle schriftelijke aantekeningen na registratie.
2. Na overleg blijft er twijfel bestaan.
· U twijfelt of er sprake is van kindermishandeling. Het vermoeden hoeft niet bewezen te zijn! Echter vanuit de zorg voor de kinderen en voor de veiligheid van de kinderen gaat u naar fase 5.
3. Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond.
· U gaat over naar fase 5.
Fase 5: Handelen.
De bemiddelingsmedewerkerneemt contact op met het AMK.
In overleg met het AMK kan besloten worden om tot melding over te gaan in verband met de eigen kinderen van het gastgezin. Dit wordt gedaan vanuit de visie dat kindermishandeling een gezinsbreed probleem is. Zeker wanneer uit het gesprek van de bemiddelingsmedewerker met de gastouder is gebleken dat zij de problemen niet erkennen en niet openstaan voor hulpverlening.
· Vraagouders kunnen ook altijd zelf een melding doen bij het AMK.
· Adviseer de ouders om zonodig contact op te nemen met Jeugdzorg voor ondersteuning en/of hulp.
· Wanneer er een melding is gedaan bij het AMK wordt dit de vraagouders verteld.
· Het verdient aanbeveling om ook aan de gastouders te vertellen dat er een melding gedaan gaat worden bij het AMK. Het AMK kan advies geven over het voeren van dit soort gesprekken. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de eventuele verdere hulpverlening aan het kind/gezin. Ouders zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt, zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
De bemiddelingsmedewerkerneemt contact op met de ouders van andere kinderen die in het gezin verblijven. Zij informeert de vraagouders dat deze ouders niet meer zijn opgenomen bij het GOB als gastgezin en overlegt over eventuele herplaatsing. Overleg vooraf met het AMK wat er tegen de andere ouders gezegd kan worden vanuit privacy overwegingen. Met name wanneer er sprake is van twijfel. Wanneer er sprake is van een duidelijke mishandelingsituatie gaat de bespreking van de mishandeling boven de privacy wetgeving. Maar laat u hierover vooraf informeren.
Wanneer een crisissituatie en/of een levensbedreigende situatie voor het kind ontstaat, belt u de politie of de crisisdienst van het bureau Jeugdzorg.
In de Wet op de jeugdzorg (2005) is het meldrecht vastgesteld. Dit betekent dat je wettelijk het recht hebt een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin (zie bijlage 8: meldrecht, meldplicht en zorgplicht).
Fase 6: Evaluatie.
De bemiddelingsmedewerker evalueert met de leidinggevende datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd.
Zonodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen, b.v. de vraagouders.
Zonodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens m.b.t. het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan. Geregistreerde gegevens zijn belangrijk voor het maken van beleid of bijstelling van beleid binnen de instelling
Fase 7: Nazorg.
Blijf alert op het welzijn van het kind.
Wanneer het kind nog in het gastgezin verblijft of overgeplaatst is naar een ander gezin, onderhoudt de bemiddelingsmedewerker wat frequenter contact met de gast- en vraagouders om zicht te houden op het welzijn van het kind/ de kinderen.
Het op gang brengen van hulp in het gezin is de aanzet tot het verhelpen van de problemen. Het kost enige tijd voordat die hulp vruchten afwerpt.
De verantwoordelijkheid van het GOB in het kader van nazorg is:
· Het bieden van een veilige plek aan het kind bij een gastouder.
· De begeleiding bij het observeren van het kind.
· De bereidheid tot het geven van informatie aan het AMK over het functioneren van het kind.
· Het meedenken in overlegsituaties ten behoeve van hulpverlening aan het kind en de ouders.
Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken vraagouders en de gastouder bij wie de vermoedens van kindermishandeling niet bevestigd werden.
Zonodig kunnen de ouders worden doorverwezen voor verdere hulp naar b.v. Bureau Jeudgzorg (zie bijlage 1 voor de werkwijze van Bureau Jeugdzorg).
Als gebleken is dat de vermoedens niet voldoende onderbouwd konden worden en de zorgen zijn verdwenen, kunnen de werkaantekeningen worden vernietigd en kan het dossier met betrekking tot dit kind afgesloten worden.
Stappenschema 2:
De gastouder heeft een vermoeden dat het gastkind in zijn eigen gezin mishandeld wordt
Fase 1: De gastouder heeft een vermoeden
· De gastouder observeert het kind en de interactie tussen ouder en kind tijdens het halen en brengen.
· De gastouder legt de waarnemingen eventueel aan de vraagouder voor.
· De gastouder neemt contact op met de bemiddelaar.
· Verantwoordelijkheid bij de gastouder.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden
· De bemiddelingsmedewerker overlegt met een collega/leidinggevende.
· Verantwoordelijkheid: bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak
· De bemiddelingsmedewerker wint advies in bij het AMK.
· De bemiddelingsmedewerker bespreekt met de vraagouder zijn zorgen, eventueel samen met de gastouder.
· Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 4: De beslissing
· De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd. De vermoedens bestaan niet meer. Sluit de zaak af. Koppel dit terug aan de gastouder. Ga naar fase 6.
· Na overleg blijft er ernstige twijfel bestaan. Ga naar fase 5.
· Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond. Ga naar fase 5.
· Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 5: Handelen
· De bemiddelingsmedewerker spreekt opnieuw met de vraagouders om de zorgen te bespreken.
· Wanneer de ouders de zorgen delen en bereid zijn tot hulpverlening, verwijst zij de ouders door.
· Wanneer ouders de zorgen niet delen en/of geen hulpverlening willen aanvaarden neemt de bemiddelingsmedewerker contact op met het AMK voor een eventuele melding. Koppel dit terug aan de gastouders.
· Zorg ervoor dat het gastgezin de veilige plek kan blijven voor het kind.
· Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 6: Evaluatie
· Evalueer het proces en de procedures.
· Stel zonodig afspraken en procedures bij.
· Registreer de genomen stappen.
· Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Fase 7: Nazorg
· Blijf alert op het welzijn van het kind/de kinderen.
· Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken gastouders.
· Neem opnieuw contact op met het AMK als er nieuwe signalen zijn.
· Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Bij alle stappen die genomen worden, dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Toelichting
Fase 1: De gastouder heeft een vermoeden.
De gastouder neemt contact op met de bemiddelingsmedewerker.
Kinderen die mishandeld worden, kunnen veel verschillende signalen laten zien. Deze signalen kunnen wijzen op kindermishandeling, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben zoals een scheiding , een sterfgeval of de geboorte van een broertje of zusje.
Bij signaleren gaat het in de eerste plaats om de zorg die een gastouder en/of bemiddelingsmedewerker heeft over een kind, waarvoor geen geruststellende verklaring is. Kindermishandeling is één van de mogelijke oorzaken. Het is niet aan de bemiddelingsmedewerker of de gastouder om vast te stellen dat er sprake is van kindermishandeling. Het gaat om de zorgen die de ouders en u hebben over het kind. Meestal zullen mishandelde kinderen of degene die hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie vertellen. Het is nodig dat andere personen uit de omgeving van het kind de verantwoordelijkheid nemen om situaties van kindermishandeling bespreekbaar te maken of te stoppen.
Bespreek met de gastouder de zorgen die zij heeft over de gastkind(eren).
Als er signalen zijn die kunnen wijzen op kindermishandeling probeert u met gebruik van de signalenlijst en het observatieformulier (zie bijlage 2) de zorgen rond een kind duidelijker te krijgen.
Het is belangrijk dat bij het verhelderen van de vermoedens een onderscheid gemaakt wordt tussen objectieve gegevens en subjectieve gegevens. Onder objectieve gegevens wordt verstaan datgene wat u daadwerkelijk kunt zien, zoals een blauwe plek op een arm. Onder subjectieve gegevens wordt verstaan hoe u de gegevens interpreteert. Bijvoorbeeld het kind is geslagen.
Op het observatieformulier worden de objectieve gegevens vermeldt. Het observatieformulier gaat het dossier in. Wanneer er behoefte is ook de subjectieve gegevens te noteren, doe dat dan in anonieme werkaantekeningen. Werkaantekeningen gaan het dossier niet in en zijn niet ter inzage van ouders. Ga zorgvuldig met werkaantekeningen om.
Let op: het is niet de taak van een bemiddelingsmedewerker of gastouder om speurwerk naar een dader te doen. Het is wel uw taak te komen tot een onderbouwing van de zorgen die er zijn en de veiligheid van het kind te waarborgen.
Van belang is dat de gastouder zich serieus genomen voelt in de zorgen om het kind.
Wanneer de zorgen nog niet zo helder zijn, kan de gastouder het kind nog wat langer observeren en een gesprek aan gaan met het kind (zie bijlage 5). Spreek dan duidelijk een tijdslimiet af wanneer u weer bij elkaar komt.
Het is belangrijk dat op zeker moment besloten wordt tot ofwel actie ofwel afsluiten van de zaak. Vermijdt het risico dat een gezin jarenlang achtervolgd wordt door vage vermoedens en onduidelijkheden.
De taken van de gastouder blijven:
· Een veilige plek bieden voor het kind.
· Begeleiding en observatie van het kind.
· In gesprek blijven met de ouders en het kind.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden.
Dit overleg dient als middel om het vermoeden te toetsen bij anderen, ter voorkoming van overhaast genomen emotionele beslissingen, maar ook om ruimte te geven aan eventuele emoties.
De bemiddelingsmedewerker overlegt met de leidinggevende. De bemiddelingsmedewerker bespreekt de objectieve en subjectieve gegevens die zij heeft gekregen van de gastouder. Ze bespreekt of er redenen zijn waarover zij zich zorgen moet maken en/ of dat er redenen zijn om te denken aan kindermishandeling.
De bemiddelingsmedewerker en de leidinggevende maken samen een plan van aanpak om meer gegevens te verkrijgen.
Fase 3: Uitvoeren van het plan van aanpak.
De bemiddelingsmedewerkeroverlegt met het AMK. Overleg met het AMK is in alle gevallen aan te raden. Het AMK biedt ondersteuning bij het interpreteren van signalen en bij het nadenken over de vervolgstappen die noodzakelijk zijn (zie bijlage 1 over de werkwijze van het AMK). Het AMK kan ook om advies of ondersteuning gevraagd worden voor het gesprek met de ouders.
De bemiddelingsmedewerker gaat een gesprek aan met de vraagouder. Bespreek met de vraagouder de zorgen die zijn geuit door de gastouder aan de hand van de objectieve en subjectieve gegevens. Probeer in het gesprek een duidelijker beeld te vormen van de pedagogische kwaliteiten van de ouder en zoek naar onderbouwing van de zorgen. Dit gesprek kan samen met de gastouder of zonodig met de leidinggevende gebeuren.
Het gemeenschappelijke uitgangspunt van ouders en het GOB is het feit dat beide het beste voor hebben met het kind. Probeer ouders daarom niet te bekijken als vermoedelijke daders, maar als mogelijke medeslachtoffers in een vastgelopen situatie, waarbij zij hulp nodig hebben. Kindermishandeling ontstaat meestal uit onmacht.
Maak, als dit mogelijk is, altijd een vervolgafspraak met de ouders. Dus ook wanneer de ouders de bezorgdheid over hun kind niet delen. Als ouders ook bezorgd zijn over het kind is er al veel gewonnen. Spreek met de ouders in dit of in een volgend gesprek af wat de volgende stap zal zijn (zie bijlage 4,6 over gesprekken met ouders).
Fase 4: De beslissing.
De verdere aanpak is afhankelijk van de gegevens die uit fase 2 naar voren zijn gekomen. Er zijn drie scenario’s mogelijk.
1. De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd en de vermoedens bestaan ook niet meer.
· Bespreek dit met de gastouders en de vraagouders.
· Sluit de zaak af en vernietig alle schriftelijke aantekeningen na registratie.
· Ga naar fase 6.
2. Na overleg blijft er twijfel bestaan.
· U twijfelt of er sprake is van kindermishandeling. Het vermoeden hoeft niet bewezen te zijn! Echter vanuit de zorg voor de kinderen gaat u naar fase 5.
3. Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond.
· U gaat over naar fase 5.
Fase 5: Handelen.
De bemiddelingsmedewerker bespreekt de zorgen opnieuw met de ouders.
Verwijs ouders door wanneer de ouders de zorgen delen en bereid zijn om hulpverlening te aanvaarden (zie bijlage 9: Sociale kaart). Zorg er wel voor dat ouders die hulp krijgen die zij nodig hebben om ook daadwerkelijk bij Bureau Jeugdzorg binnen te komen. Bureau Jeugdzorg zal daarna bekijken welke hulp gewenst is.
Wanneer ouders de zorgen niet delen en/of niet bereid zijn tot aanvaarding van hulpverlening: neem opnieuw contact op met het AMK voor een eventuele melding.
Als er besloten is dat de vermoedens van kindermishandeling gemeld gaan worden bij het AMK wordt dit de gast- en zo mogelijk, ook de vraagouders verteld. AMK kan advies geven over het voeren van dit gesprek met de vraagouders. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de eventuele verdere hulpverlening aan het kind/gezin. Ouders zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
Wanneer het in het belang van het kind is om zonder medeweten van ouders te melden, dan is dit ook mogelijk.
Wanneer een crisissituatie en/of een levensbedreigende situatie voor het kind ontstaat, belt u de politie of de crisisdienst van het bureau Jeugdzorg.
Zorg ervoor dat het gastgezin de veilige plek kan blijven voor het kind.
In de Wet op de jeugdzorg (2005) is het meldrecht vastgesteld. Dit betekent dat je wettelijk het recht hebt een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin (zie bijlage 8 meldrecht, meldplicht en zorgplicht).
Fase 6: Evaluatie.
De bemiddelaar evalueert met een betrokken collega datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd. Zonodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen, b.v. de gastouders.
Zonodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens m.b.t. het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan. Geregistreerde gegevens zijn belangrijk voor het maken van beleid of bijstelling van beleid binnen de instelling.
Fase 7: Nazorg
Blijf alert op het welzijn van het kind.
Wanneer het kind nog in het gastgezin verblijft of overgeplaatst is naar een ander gezin onderhoudt u wat frequenter contact met de gast- en vraagouders om zicht te houden op het welzijn van het kind/ de kinderen.
Het op gang brengen van hulp in het gezin is de aanzet tot het verhelpen van de problemen. Het kost enige tijd voordat die hulp vruchten afwerpt.
De verantwoordelijkheid van het GOB in het kader van nazorg is:
· Het bieden van een veilige plek aan het kind.
· De begeleiding en het observeren van het kind.
· De bereidheid tot het geven van informatie aan het AMK over het functioneren van het kind.
· Het meedenken in overlegsituaties ten behoeve van hulpverlening aan het kind en de ouders.
Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken vraagouders en de gastouder en neem opnieuw contact op met het AMK als er nieuwe signalen zijn.
Bijv. wanneer ouders hun kind zonder duidelijke reden plotseling uitschrijven.
Stappenschema 3
Een GOB bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling tijdens een intakegesprek met een aspirant gast- of vraagouder
Fase 1: De bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling
· Bespreek open met de aspirant- gast of vraagouders de twijfel die bestaat over de pedagogische benadering van kinderen.
· Overleg zonodig met een leidinggevende.
Fase 2: Handelen
· Wijs de ouders als gastouder af.
· Neem contact op met het AMK wanneer er vermoedens van kindermishandeling zijn over de kinderen van de aspirant gastouders of de vraagouders.
· Bespreek met de aspirant vraagouders de zorgen die u heeft en bekijk wat het GOB hierin kan betekenen door plaatsing van de kinderen.
Fase 3: Evaluatie
· Evalueer het proces en de procedures.
· Stel zonodig afspraken bij.
· Registreer.
Bij alle stappen die genomen worden dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Toelichting
Fase 1: De GOB bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling.
Het signaleren van kindermishandeling of pedagogisch minder gewenste situaties begint vaak met een nietpluis gevoel. In een gesprek wat de bemiddelingsmedewerker heeft met aspirant- gast of vraagouders kan dat gaan spelen. Tijdens dat gesprek probeert zij dat onderbouwd te krijgen.
Fase 2: Handelen.
Bespreek de zorgen met de leidinggevende.
Wijs de ouders als gastouder af. De bemiddelingsmedewerker wijst de aspirant gastouders af wanneer zij een nietpluis gevoel heeft. Zo mogelijk kan zij, bij vage nietpluisgevoelens haar collega of leidinggevende nog een gesprek vragen te doen met de aspirant gastouder. Neem dan gezamenlijk een beslissing. Echter bij twijfel: wijs af.
Neem contact op met het AMK wanneer er vermoedens van kindermishandeling zijn over de kinderen van de aspirant gastouders of de vraagouders. Bespreek met de aspirant vraagouders de zorgen die u heeft en bekijk of ouders bereid zijn tot aanvaarding van hulpverlening, bespreek wat het GOB hierin kan betekenen door plaatsing van de kinderen. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de eventuele verdere hulpverlening aan het kind/gezin. Ouders zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt, zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
Kindermishandeling is vaak een duidelijk signaal dat de draaglast van het gezin te groot is voor de draagkracht. Plaatsing van een kind kan als lastenverlichting ervaren worden. Daarnaast is dan veelal ook hulp voor de ouders elders nodig (zie bijlage 9: Sociale kaart).
Neem bij ernstige twijfel contact op met het AMK.
Bijlage 2
A. Signalenlijst kindermishandeling 0- tot 4-jarigen
Voorwoord
Als kinderen mishandeld, verwaarloosd en/of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stressindicatoren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enz.). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het 'bewijs' te leveren van de mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen! Om na signalering een volgende stap te kunnen zetten, is het aan te bevelen dat een instelling beschikt over een handleiding ten aanzien van kindermishandeling. De signalenlijst kan dan als bijlage aan de handleiding worden toegevoegd.
De signalen die in deze lijst vermeld worden, hebben betrekking op alle vormen van mishandeling. Aan het einde van de lijst zijn nog enkele signalen opgenomen die meer specifiek zijn voor seksueel misbruik. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, is het van belang de hele context van het gezin erbij te betrekken. Daarom worden ook een aantal signalen van ouders en gezin genoemd.
U kunt ook altijd overleggen met het AMK over signalen die u zorgen baren, bijvoorbeeld blauwe plekken op vreemde plaatsen.
1. Psycho-sociale signalen
Ontwikkelingsstoornissen
· achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling
· schijnbare achterstand in verstandelijke ontwikkeling
· regressief gedrag
· niet zindelijk op leeftijd waarvan men het verwacht
Relationele problemen
ten opzichte van de ouders:
· totale onderwerping aan de wensen van de ouders
· sterk afhankelijk gedrag ten opzichte van de ouders
· onverschilligheid ten opzichte van de ouders
· kind is bang voor ouder
· kind vertoont heel ander gedrag als ouders in de buurt zijn
ten opzichte van andere volwassenen:
· bij oppakken houdt het kind zich opvallend stijf
· bevriezing bij lichamelijk contact
· allemansvriend
· lege blik in ogen en vermijden van oogcontact
· waakzaam, wantrouwend.
ten opzichte van andere kinderen:
· speelt niet met andere kinderen
· is niet geliefd bij andere kinderen
· wantrouwend
· terugtrekken in eigen fantasiewereld.
Gedragsproblemen
· plotselinge gedragsverandering
· geen of nauwelijks spontaan spel, geen interesse in spel
· labiel, nerveus
· depressief
· angstig
· passief, in zichzelf gekeerd, meegaand, apathisch, lusteloos
· agressief
· hyperactief
· niet lachen, niet huilen
· niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
· eetproblemen
· slaapstoornissen
· vermoeidheid, lusteloosheid
2. Medische signalen
Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)
· blauwe plekken
· krab-, bijt- of brandwonden
· botbreuken
· littekens
Voedingsproblemen
· ondervoeding
· voedingsproblemen bij baby's:
· steeds wisselen van voeding
· veel spugen
· matig groeien, ondanks voldoende hoeveelheid voeding
· weigeren van voeding
· achterblijven in lengtegroei
Verzorgingsproblemen
· slechte hygiëne
· ernstige luieruitslag
· onvoldoende kleding
· onvoldoende geneeskundige en tandheelkundige zorg
· veel ongevallen door onvoldoende toezicht
· herhaalde ziekenhuisopnamen
· recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
· traag herstel door onvoldoende zorg
3. Kenmerken ouders/gezin
Ouder/kind relatiestoornis
· ouder draagt kind als een 'postpakketje'
· ouder troost kind niet bij huilen
· ouder klaagt overmatig over het kind
· ouder heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
· ouder toont weinig belangstelling voor het kind
Signalen ouder
· geweld in eigen verleden
· apathisch en (schijnbaar) onverschillig
· onzeker, nerveus en gespannen
· onderkoeld brengen van eigen emoties
· negatief zelfbeeld
· steeds naar andere artsen/ziekenhuizen gaan ('shopping')
· afspraken niet nakomen
· kind opeens van peuterspeelzaal/kinderdagverblijf afhalen
· aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
· ouder met psychiatrische problemen
· verslaafde ouder
Gezinskenmerken
· ‘multi-problem’ gezin
· ouder die er alleen voorstaat
· regelmatig wisselende samenstelling van gezin
· isolement
· vaak verhuizen
· sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, etc.
· veel ziekte in het gezin
· draaglast gezin gaat draagkracht te boven
· geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen
4. Signalen specifiek voor seksueel misbruik
Lichamelijke kenmerken
· verwondingen aan genitaliën
· vaginale infecties en afscheiding
· jeuk bij vagina en/of anus
· problemen bij het plassen
· recidiverende urineweginfecties
· pijn in de bovenbenen
· pijn bij lopen en/of zitten
· seksueel overdraagbare ziekten
Relationele problemen
· angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder
Gedragsproblemen
afwijkend seksueel gedrag:
· excessief en/of dwangmatig masturberen
· angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
· niet leeftijdsadequaat seksueel spel
· niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
· angst om zich uit te kleden
· angst om op de rug te liggen
· negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
· schrikken bij aangeraakt worden
· houterige motoriek (onderlichaam 'op slot')
· geen plezier in bewegingsspel.
5. Signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld
Gedragsproblemen
· agressie: kopiëren van gewelddadig gedrag van vader (sommige kinderen, m.n. jongens kopiëren hun vaders gedrag door hun moeder of jongere broertjes/zusjes te slaan)
· opstandigheid
· angst
· negatief zelfbeeld
· passiviteit en teruggetrokkenheid
· zichzelf beschuldigen
· verlegenheid
Problemen in sociaal gedrag en competentie
· wantrouwen ten aanzien van de omgeving
· gebrek aan sociale vaardigheden
Schoolproblemen
· moeite met concentreren
· overcompenseren (opvallend extra inzet op school)
Bijlage 2
B. Signalenlijst kindermishandeling 4-12 jaar
Deze signalenlijst is bestemd voor mensen die beroepshalve te maken hebben met kinderen van 4-12 jaar.
Als kinderen mishandeld, verwaarloosd en/of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stressindicatoren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enz.). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het 'bewijs' te leveren van de mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen! Om na signalering een volgende stap te kunnen zetten, is het aan te bevelen dat een school of instelling beschikt over een protocol ten aanzien van kindermishandeling. De signalenlijst kan dan als bijlage aan het protocol worden toegevoegd.
De signalen die in deze lijst vermeld worden, hebben betrekking op alle vormen van mishandeling (lichamelijke en psychische mishandeling, lichamelijke en psychische verwaarlozing en seksueel misbruik). Aan het einde van de lijst zijn nog enkele signalen opgenomen die meer specifiek zijn voor seksueel misbruik. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, is het van belang de hele context van het gezin erbij te betrekken. Daarom worden ook een aantal signalen van ouders en gezin genoemd.
1. Psycho-sociale signalen
Ontwikkelingsstoornissen
· achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling
· schijnbare achterstand in verstandelijke ontwikkeling
· regressief gedrag
· niet zindelijk
Relationele problemen
ten opzichte van de ouders:
· totale onderwerping aan de wensen van de ouders
· sterk afhankelijk gedrag ten opzichte van de ouders
· onverschilligheid ten opzichte van de ouders
· kind is bang voor ouder
· kind vertoont heel ander gedrag als ouders in de buurt zijn.
ten opzichte van andere volwassenen:
· bevriezing bij lichamelijk contact
· allemansvriend
· lege blik in de ogen en vermijden van oogcontact.
· waakzaam, wantrouwend.
ten opzichte van andere kinderen:
· speelt niet met andere kinderen
· is niet geliefd bij andere kinderen
· wantrouwend
· terugtrekken in eigen fantasiewereld.
Gedragsproblemen
· plotselinge gedragsverandering
· labiel, nerveus gespannen
· depressief
· angstig
· passief, in zichzelf gekeerd, meegaand, apathisch, lusteloos
· agressief
· hyperactief
· destructief
· geen of nauwelijks spontaal spel, geen interesse in spel
· vermoeidheid, lusteloosheid
· niet huilen, niet lachen
· niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
· schuld- en schaamtegevoelens
· zelfverwondend gedrag
· eetproblemen
· anorexia / boulimia
· slaapstoornissen
· bedplassen / broekpoepen.
2. Medische signalen
Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)
· blauwe plekken
· krab-, bijt- of brandwonden
· botbreuken
· littekens
Verzorgingsproblemen (specifiek voor verwaarlozing)
· slechte hygiëne
· onvoldoende kleding
· onvoldoende geneeskundige en tandheelkundige zorg
· veel ongevallen door onvoldoende toezicht
· herhaalde ziekenhuisopnamen
· recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
· traag herstel door onvoldoende zorg.
Overige medische signalen
· ondervoeding
· achterblijven in lengtegroei
· psychosomatische klachten (buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, etc.).
3. Kenmerken ouders / gezin
Ouder/kind relatiestoornis
· ouder troost kind niet bij huilen
· ouder klaagt overmatig over het kind
· ouder heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
· ouder toont weinig belangstelling voor het kind
Signalen ouder
· geweld in eigen verleden
· apathisch en (schijnbaar) onverschillig
· onzeker, nerveus en gespannen
· onderkoeld brengen van eigen emoties
· negatief zelfbeeld
· steeds naar andere artsen/ziekenhuizen gaan ('shopping')
· afspraken niet nakomen
· kind opeens van school halen
· aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
· ouder met psychiatrische problemen
· verslaafde ouder
Gezinskenmerken
· ‘multi-problem' gezin
· ouder die er alleen voorstaat
· regelmatig wisselende samenstelling van gezin
· isolement
· vaak verhuizen
· sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, etc.
· veel ziekte in het gezin
· draaglast gezin gaat draagkracht te boven
· geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen
4. Specifieke signalen bij seksueel misbruik
Lichamelijke kenmerken
· verwondingen aan genitaliën
· vaginale infecties en afscheiding
· jeuk bij vagina en/of anus
· problemen bij het plassen
· recidiverende urineweginfecties
· pijn in de bovenbenen
· pijn bij lopen en/of zitten
· seksueel overdraagbare ziekten
Relationele problemen
· angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder
· sterk verzorgend gedrag, niet passend bij de leeftijd van het kind (parentificatie)
Gedragsproblemen
· afwijkend seksueel gedrag
· excessief en/of dwangmatig masturberen
· angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
· seksueel agressief en dwingend gedrag ten opzichte van andere kinderen
· niet leeftijdsadequaat seksueel spel
· niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
· angst voor zwangerschap
· angst om zich uit te kleden
· angst om op de rug te liggen
· negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
· schrikken bij aangeraakt worden
· houterige motoriek (onderlichaam 'op slot')
· geen plezier in bewegingsspel
Bijlage 4
Aandachtspunten voor gesprek met een vraag- en of gastouder bij zorgen over een kind
Het doel van een gesprek is om de zorgen over datgene wat er is waargenomen bij het kind, aan gedrag of concrete lichamelijke verschijnselen, met de ouders te delen. Bereid dit gesprek voor met de bemiddelingsmedewerkster en /of voer dit samen uit. Bijscholing hierin kan gegeven worden door de regionale preventieteams. Deze zijn te vinden op www.kindermishandeling.info.
Houd de volgende uitgangspunten in de gaten:
· Bespreek wat je waarneemt bij het kind, bespreek niet je vermoedens.
· Ga er vanuit dat ouders het beste voor hun kinderen willen en dat is ook wat jij wilt: daar zit jullie gemeenschappelijke noemer.
Je hoeft geen schuldvraag aan de orde te stellen; je doet een beroep op de zorg van ouders voor hun kind. Omdat de ouders hun kind een aantal dagen per week aan jou toevertrouwen, ben jij een belangrijk persoon voor het kind en de ouders. Het is dus logisch om de zorgen over het kind te delen. Dit delen van zorgen is een proces en vraagt om een procesmatige aanpak.
Fases in een procesmatige aanpak
1. Afwegingen vóór het gesprek:
· Voer je het gesprek met de ouder(s) alleen of samen met een bemiddelingsmedewerker?
· Nodig je beide ouders expliciet samen uit, leg je deze keuze voor aan één ouder, of laat je dit aan de ouders over?
2. Spreek de zorg om het kind uit:
Ik heb je kind nu (aantal) keer/maanden gezien/bij mij thuis. Ik maak me zorgen om een aantal dingen die ik graag met jou/jullie zou willen bespreken. Is dit goed?
3. Bespreek één voor één de signalen aan de hand van onderstaande punten:
· Beschrijf het signaal in concrete lichamelijke verschijnselen of waarneembaar gedrag: ‘Het is mij opgevallen dat jullie kind 's morgens vaak komt met hele volle vieze luiers en ook luieruitslag heeft die maar niet over lijkt te gaan; Jullie kind speelt in de poppenhoek vaak seksuele handelingen na met de poppen en hij/zij doet dit als volgt…’En dan vul je concrete waarnemingen in.
· Vraag of dit signaal herkend wordt: ‘Is jullie dit wel eens opgevallen? Gebeurt dit thuis ook wel eens? Hoe lang is dit al zo? In welke situaties gebeurt dit?’
· Vraag of ouders een idee hebben waar dit vandaan komt:’Hebben jullie enig idee waar dit vandaan komt? Wat vinden jullie ervan?’
· Spreek (indien nodig) je zorg uit over dit signaal: ‘Ik maak me er toch zorgen over dat jullie kind dit doet/heeft.’
4. Ouders delen de zorg
5. Ouders nemen de zorg over
Aandachtspunten:
· Gebruik niet het woord signaal, maar beschrijf concrete lichamelijke verschijnselen of waarneembaar gedrag.
· Leg de nadruk op het delen van zorg, niet op het beschuldigen/verdenken van ouders.
Zorgen delen
Je kunt zorgen niet delen met ouders, wanneer het niet de zorgen van beide partijen zijn. Het kan geruime tijd in beslag nemen om zover te komen. Wanneer ouders datgene wat je hebt waargenomen absoluut (nog) niet kunnen waarnemen, is het van het grootste belang om bij dit onderdeel stil te blijven staan en niet de volgende fase van het gesprek in te gaan. Je kunt ouders in zo’n geval bijvoorbeeld vragen om het kind eens een tijdje te observeren en op te letten of ze dan toch het gedrag waarnemen dat jij als gastouder/bemiddelingsmedewerkster genoemd hebt. In een volgende afspraak kunnen jullie het er dan weer over hebben. Een andere mogelijkheid is te vragen of de ouder(s) een ochtendje wil(len) komen kijken. Je kunt dan meteen aanwijzen welk gedrag je bedoelt. Neem hier de tijd voor. Want zolang ouders de signalen die jij met ze besproken hebt niet waarnemen, is delen van de zorg niet aan de orde.
Emoties
In deze fase kunnen emoties een grote rol spelen. Ouders kunnen bijvoorbeeld boos worden, zich tekort voelen schieten en zich hier schuldig over voelen of zich schamen over het door jou beschreven gedrag van hun kind. Bijvoorbeeld wanneer je masturbatiegedrag in de groep of seksueel gedrag in de poppenhoek hebt beschreven.
Ouders kunnen door hun emoties op heel verschillende manieren reageren. Daarom is het altijd verstandig om expliciet naar de reactie van de ouders te vragen. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie dat ik jullie ermee overrompel. Ik kan me voorstellen dat het moeilijk voor jullie is dat ik hier nu mee gekomen ben. Hoe ligt dit voor jullie?’
Ouders kunnen ook boos worden. Een manier om met boosheid of agressie om te gaan, is onder woorden te brengen wat je waarneemt en je eigen angst hiervoor (jezelf klein maken). ‘Ik zie dat jullie boos zijn en ik vind dat moeilijk, het maakt mij onzeker.’
Wanneer je als gastouder/bemiddelingsmedewerker persoonlijk geraakt bent door wat je gezien of gehoord hebt van het kind is het goed dit onder woorden te brengen. Zolang de emoties de overhand hebben, is er geen gelegenheid om de ouders concrete, zakelijke informatie te geven. Laat staan naar een volgende stap te gaan. Pas wanneer de emoties een plaats hebben gekregen, is er gelegenheid om de ouders concrete, zakelijke informatie te geven.
Verduidelijking vragen
Bij iedere fase is het van belang te vragen wat de ouders ervan vinden en of zij het genoemde herkennen. Vraag ook door als iets niet helemaal duidelijk is. ‘Wat bedoel je daar precies mee? Begrijp ik goed dat je zegt dat…’
Er kunnen dus meerdere gesprekken nodig zijn voordat je op één lijn zit met de ouders wat betreft het waarnemen van de door jou gesignaleerde verschijnselen en gedragingen van hun kind.
Het delen van de zorg en het overnemen van de zorg zijn dan de volgende stappen die ouders moeten maken. Het is van groot belang om het waargenomene ook dan nog over langere tijd te volgen en bij te houden in een logboek. Hierin kun je ook de afspraken met ouders bijhouden. De praktijk leert dat wanneer je deze fase eenmaal bereikt hebt, ouders een belangrijke steun zijn in het verder zoeken naar een mogelijke oorzaak van het zorgwekkende gedrag van hun kind. Ouders kunnen dan meestal heel goed meedenken over de verdere hulp die zij denken nodig te hebben.
Bron: Mw. J. vd. Berg, jeugdarts bij de afdeling jeugdgezondheidszorg, dienst OCW, gemeente Den Haag
Bijlage 5
Aandachtspunten tijdens een gesprek met het kind
Bij een vermoeden van kindermishandeling kan de gastouder met het kind praten om na te gaan of haar zorgen terecht zijn. Het kan ook voorkomen dat een kind zelf de gastouder in vertrouwen neemt. Gastouders zien vaak erg op tegen dergelijke gesprekken omdat ze het moeilijk vinden hun houding te bepalen tegenover het kind. Het oefenen van gespreksvaardigheden kan meer zelfvertrouwen geven bij het voeren van dit soort gesprekken. Daarom is het belangrijk dat gastouders zich bewust zijn van een aantal voorwaarden die bij het voeren van een gesprek met een mishandeld kind van belang zijn.
In de eerste plaats kan een gastouder beter niet op voorhand geheimhouding toezeggen aan een kind. Veel kinderen willen in eerste instantie alleen iets vertellen als er beloofd wordt om het tegen niemand anders te zeggen. Als deze belofte gegeven wordt, komt de gastouder voor een groot dilemma te staan als het kind zou vertellen dat het mishandeld wordt: zij moet dan of het vertrouwen van het kind schenden of medeplichtig worden aan het in stand houden van een schadelijke situatie. De gastouder die een kind geheimhouding belooft uit angst dat het kind anders blijft zwijgen, moet zich wel bewust zijn van de consequenties van deze belofte.
Als een gastouder geen geheimhouding wil toezeggen kan zij het kind wel beloven dat zij geen stappen zal ondernemen zonder dit van te voren aan het kind te vertellen.
Een tweede belangrijk punt is dat de gastouder zich bewust moet zijn van de sterke loyaliteitsgevoelens van een kind ten opzichte van zijn ouders. Val nooit de ouders af tegenover het kind, al hebben ze nog zulke afschuwelijke dingen gedaan. Het kind zal geen vertrouwen meer hebben in iemand die zijn ouders veroordeelt.
Voorwaarden voor een goed contact tijdens een gesprek met een kind
1. Echtheid
Dit betekent dat de gastouder zichzelf is in de relatie met het kind. Zij doet zich niet anders voor dan hij is. Dit betekent niet dat de gastouder elke emotie die zij ervaart eruit gooit. Het betekent wel dat zij zich bewust is van haar eigen gevoelens en die niet ontkent of tracht te verdringen. Er moet overeenstemming zijn tussen dat wat zij ervaart en voelt en dat wat zij zegt en doet.
Een professionele houding vereist oprechte belangstelling, een sfeer van veiligheid en het vermogen een goede ontvanger te zijn, dat wil zeggen op kunnen merken wat de gevoelens van het kind zijn en daarbij aan kunnen sluiten.
Een dergelijke houding vormt een basis voor vertrouwen. Kinderen voelen heel goed aan wanneer iemand echt is of een façade ophoudt of doet alsof.
2. Empathie
Empathie is het vermogen van de gastouder zich in te leven in de gevoelens van het kind. Empathie is het begrijpen van de ervaringen en gevoelens van het kind in hun betekenis voor dat kind
Het is belangrijk dat de gastouder de gevoelens van het kind niet slechts aanhoort maar door woorden of op een niet verbale wijze aangeeft de beleving van het kind van binnen uit te verstaan.
3. Acceptatie
Acceptatie houdt in dat de gastouder het kind accepteert zoals hij is. Het wil niet zeggen dat de gastouder het eens moet zijn met de gedachten of gevoelens van het kind maar wel dat zij deze accepteert zonder verder te veroordelen.
Tijdens het gesprek met een kind is het ook van belang dat een gastouder in staat is om actief te luisteren. Actief luisteren betekent luisteren naar zowel de verbale als de non-verbale boodschappen van het kind. Het betekent ook ‘tussen de regels door’ luisteren naar de boodschappen die doorklinken in de stembuiging van het kind, aarzeling, stiltes etc. Actief luisteren houdt in dat de gastouder zich voortdurend afvraagt ‘Welke boodschap wil dit kind overbrengen? Wat zegt hij over zijn ervaringen, gedragingen, gevoelens?
Door actief te luisteren kan het de gastouder duidelijk worden wat er aan de hand is met het kind en kan zij zicht krijgen op de emoties die het kind daarbij ervaart. De gastouder moet hierbij proberen om de gevoelens van het kind met eigen woorden samen te vatten.
Bij deze manier van luisteren krijgt de gastouder niet alleen de meeste informatie maar geeft zij het kind ook het gevoel serieus genomen en geaccepteerd te worden. Bovendien kan de gastouder bij actief luisteren controleren of zij het kind goed heeft begrepen en zijn emoties goed heeft aangevoeld.
Enkele ezelsbruggetjes bij het actief luisteren:
· ‘Je bedoelt…?’
· ‘Je probeert me duidelijk te maken dat….?’
· ‘Je voelt je…?’
· ‘Je hebt het gevoel dat…?’
· ‘Je zou het liefst willen dat…?’
· ‘Je hebt de indruk dat…?’
Algemene regels bij actief luisteren:
1. Begin met ‘Je…’
2. Gebruik een vragende toon.
Kijk uit voor communicatiestops. Dit zijn opmerkingen, reacties etc. die werkelijke communicatie in de weg staan. Vaak worden ze onbewust gebruikt, bijvoorbeeld als iemand bang is om iets onaangenaams te horen of als het gesprek een wending dreigt te nemen die als emotioneel bedreigend wordt ervaren.
Communicatiestops zijn:
· veroordelen
· ridiculiseren
· preken
· afleiden
· met het verhaal op de loop gaan
· waarschuwen
· sussen/geruststellen
· niet serieus nemen
· vragen stellen (die niet van belang zijn)
· bevelen
· beredeneren
· oplossingen aandragen.
Bijlage 11
Verdere informatie
Voor informatie over kindermishandeling kan je terecht bij:
NIZW Jeugd / Expertisecentrum Kindermishandeling
Informatie en beleidsadvisering
Postbus 19152
3501 DD Utrecht
Infolijn: 030-2306564
Fax: 030-2319641
E-mail: kindermishandeling@nizw.nl
JSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding (voorheen S&O stichting voor opvoedingsondersteuning en ZOK Zuidhollandse Ondersteuningsorganisatie Kinderopvang)
Voorlichting, training, lezing, workshops, ontwikkeling van protocollen, onderhouden van netwerken, lesmateriaal weerbaarheid.
Preventieteam kindermishandeling
Regio Haaglanden: 070-3029845
Regio Zuid-Holland Zuid: 078-6313435
Regio Midden Holland en Zuid-Holland Noord: 0182-547888
Kijk voor informatie over het internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind:
Relevante websites
 |